Eindconferentie INPREZE

17 October 2016

Op 10 december werd de eindconferentie INPREZE gehouden in Mediaplaza te Utrecht. Het thema was: ‘Niet denken, maar doen? Over onderzoek naar- en implementatie van e-mental health.’ Nadat dagvoorzitter Diederik Jekel iedereen welkom had geheten, opende Heleen Riper (Vrije Universiteit) de conferentie met de eerste lezing.

Riper benadrukte dat het de komende tijd nodig is dat in onderzoek individuele patiëntkenmerken worden meegewogen in het voorspellen van de succesfactor van digitale interventies. Smartphone-gebruik kan al een heleboel vertellen over iemands fysieke en mentale toestand. Daarnaast stelt Riper dat gebruikers veel meer betrokken moeten worden bij de ontwikkeling, uitvoering én onderzoek van digitale therapieën. Tot slot moeten professionals ‘in het veld’ en onderzoekers meer met elkaar verbonden worden, zodat kennis en ervaring uit de praktijk bij kan dragen aan het onderzoek en er meer wordt ingezet op ontwikkeling waar het veld op zit te wachten.

Pier Prins (Universiteit van Amsterdam) gaf in een tweede lezing tips voor implementatie. Hij deed dit aan de hand van zijn betrokkenheid bij de ontwikkeling van serious games. Prins stelde dat veel wat nu ontwikkeld is, niet voldoet aan de vraag, omdat het niet echt werkt. Om ervoor te zorgen dat producten wel werken – met andere woorden effectief zijn én worden gebruikt – moeten onderzoek en implementatie dichterbij elkaar komen door een vervolgtraject te plannen en niet te stoppen na een ontwikkeltraject. Zijn devies is dus: doe niet alleen een project, maar zorg dat je nadenkt over de post-projectfase en deze al invult voordat je een project start.

Verder stelde Prins dat vorm ondergeschikt is aan inhoud en dat eindgebruikers heel belangrijk zijn, maar ‘na de wetenschap’ komen, om te voorkomen dat producten gebaseerd zijn op ‘losse interpretaties’en ze dus niet generaliseerbaar zijn. Op dit moment zijn ontwikkelde serious games, volgens Prins, nog niet volwassen genoeg om als stand alone te gebruiken, maar kunnen ze prima worden gebruikt in een blended behandelvorm.

Na Prins behandelde Annelieke Drogendijk (directeur stichting Impact | partner in Arq) het concept ‘veerkracht’ als uitgangspunt voor succesvolle implementatie. Onder ‘veerkracht’ wordt hier verstaan: ‘het vermogen om een wenselijk niveau van functioneren en welzijn te behouden en/of te bereiken’. Volgens Drogendijk is het van belang dat in de ontwikkeling van online toepassingen gebruik wordt gemaakt van ‘veerkracht’, omdat mensen zelf baat hebben bij middelen die hen in staat stellen om te gaan met tegenslag. ‘Veerkracht’ zou dus onderdeel moeten worden van elke e-mental health tool. Wel belangrijk: er komt veel op de markt zonder goed onderzoek – soms kan dat ook niet anders, maar dan zou de effectiviteit van de applicatie wel alsnog onderzocht moeten worden!

Tot slot sloot Marten Blankesteijn van Blendle het plenaire gedeelte af. Blankesteijn gaf een persoonlijk inkijkje in hoe hij Blendle heeft opgestart. En wat bleek? Alle begin is moeilijk. Niemand geloofde aanvankelijk in een bedrijfje dat ervoor zou zorgen dat lezers een eigen magazine kunnen samenstellen uit allerhande kranten en tijdschriften; niet langer betalen voor een krant dus, maar per artikel. Wat hielp was dat Blankesteijn, door een subsidie van het Stimuleringsfonds voor de Pers, een dummy kon ontwikkelen van de applicatie die het betalen per artikel mogelijk maakte. Dat hielp in het overtuigen van uitgevers om mee te doen. Een investering van de New York Times zorgde ervoor dat Blendle momenteel verder kan ontwikkelen en uitbreiden.

Voor het Bestaan van Blendle zijn twee zaken van levensbelang: de uitgevers (vanwege de content) en de gebruikers (die betalen immers voor de artikelen). Om die laatste aan zicht te binden hanteert Blendle het principe: ‘Test fast, fail fast, adjust fast’. Met een dagelijkse nieuwsbrief attenderen ze lezers op nieuwe stukken, maar wordt meteen via verschillende opmaak van de artikelen gekeken naar wat de gebruikers het fijnst vinden. Het laatste kan als advies dienen voor de ontwikkeling van e-mental health: zorg dat je, bijvoorbeeld via ROM, constant bijhoudt hoe gebruik gemaakt wordt van een toepassing en wat er verandert als je iets aanpast. Op deze manier kun je ‘on-the go’-testen en onderzoeken. Dit is min of meer in lijn met Drogendijks opmerking dat veel ongetest op de markt komt en het altijd zaak is alsnog te testen op effectiviteit.

Na een korte pauze was het tijd voor de zogenaamde parallelsessies. Bezoekers konden in twee rondes kiezen uit 10 verschillende sessies die dieper ingingen op de toekomst van onderzoek (de rol van Big Data binnen onderzoek), implementatie (De Nieuwe GGZ) of een combinatie van beiden (de Support Coach). Ook werden een aantal voorbeelden van al ontwikkelde tools besproken, zoals online zorgplatform QULI, de serious game van het eLab, de coachmaker van het Leo Kannerhuis, de screeners SAM, MIRROR en de DIPP. Verder kwam het gebruikersperspectief aan de orde in de sessie van het Landelijk Platform GGZ en vertelde de GGD Amsterdam over de net ontwikkelde, digitale versie van de Zelfredzaamheidindex.

Tot slot werd de conferentie afgesloten met een korte paneldiscussie en een netwerkborrel waarbij geluisterd kon worden naar de band van dienst: Spot-On-Music. We kijken terug op een geslaagde conferentie, dat vinden wij niet alleen, maar u ook! Uit de enquete blijkt dat bezoekers de conferentie waardeerden met gemiddeld een 8,2.

Met deze conferentie komt een einde aan de projectfase van INPREZE. Maar wat met behulp van alle partners, betrokkenen en belangstellenden is neergezet willen we graag een vervolg geven. De komende jaren gaat het INPREZE kennisplatform verder met kennisdeling over (nieuwe vormen van) e-mental health en het succesvol implementeren van deze technologie binnen de GGZ. We hopen de komende tijd samen met u, nieuwe en inspirerende tijden tegemoet te gaan!